Tijdige herkenning taalstoornis: minder kinderen naar speciaal onderwijs

Promovenda Heleen van Agt: Taalstoornissen bij kinderen: impact en de effecten van screening.

Tijdige signalering en behandeling van een taalstoornis door middel van systematische screenings op het consultatiebureau heeft geleid tot een daling van 30% in het aantal kinderen op het speciaal onderwijs en tot betere taalvaardigheid. Daarmee zouden jaarlijks ongeveer 1932 kinderen tot de leeftijd van acht jaar extra in het regulier onderwijs kunnen blijven die anders naar het speciaal onderwijs hadden moeten gaan. Dit betekent een jaarlijkse besparing van in totaal 2 miljoen euro. Dit en meer concludeert Heleen van Agt, onderzoeker aan de afdeling Maatschappelijke Gezondheidszorg van het Erasmus MC, in haar proefschrift, waar ze op 16 maart jl. op gepromoveerd is.

Duizenden kinderen met ‘gesprekgebrek’

Zo’n 7 tot 8 procent van de vier- en vijfjarigen (zo’n 30.000 kinderen) heeft moeite met de ongeschreven regels voor gesprekken. Ze weten bijvoorbeeld niet hoe je iemand aanspreekt, welke informatie je in een gesprek juist wel of niet geeft, ze hebben moeite met de logische volgorde of de woordkeuze in een verhaal of ze kijken hun gesprekspartner onvoldoende aan. Met een vragenlijst kunnen deze kinderen vroeg worden opgespoord, waarna ze ook tijdig geholpen kunnen worden. Dit blijkt uit onderzoek waarop orthopedagoge Mieke Ketelaars op 3 maart promoveert aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Dit artikel is verschenen in Foss. Oktober 2009

“Enorme winst als specialisten en ouders echt samenwerken


Jolanda van Hoeij ontdekte al vrij snel dat er iets aan de hand was met de spraaktaalontwikkeling van haar zoon Thomas, nu vierenhalf. Overal kreeg ze dezelfde geruststellende woorden te horen: “Ach, dat komt vanzelf”. Maar dat gebeurde niet.

INDELING VAN DE SPRAAK- EN TAALSTOORNISSEN

INLEIDING

Zoals uit het voorgaande is gebleken, is de spraak- en taalontwikkeling een complex proces: verscheidende factoren spelen hierin een rol. Het spreekt voor zich dat er zich problemen kunnen voordoen binnen het taalverwervingsproces van een kind. Dit heeft stoornissen in de opbouw van het spraak- en taalsysteem tot gevolg.
Algemeen gezien kan men kinderen met stoornissen in de spraak- en taalontwikkeling omschrijven als kinderen waarvan de ontwikkeling van het taalbegrip en/of de taalproduktie in vergelijking met leeftijdsgenootjes opvallend trager of anders verloopt.

Minimum spraak-taalnormen

Bron : S.M. Goorhuis-Brouwer

Het taalverwervingsproces verloopt niet bij alle kinderen op dezelfde wijze. Er zijn verschillen in tempo en manier van ontwikkeling.
Prof. Goorhuis-Brouwer, verbonden aan de Universiteit van Groningen hanteert minimum normen voor elke leeftijd, d.w.z. : 90% van de kinderen doet het BETER.
Als een kind niet voldoet aan deze normen, dan is het belangrijk dat het goed onderzocht wordt.

Het dysfasie-dossier van Ouders online behandelt: de terminologie, de behandelingspraktijk, ervaringsverhalen, contact-mogelijkheden, en hulp bij het stellen van de diagnose

Spreken is zilver, zwijgen niet

Spraak Taal Teams voor jonge kinderen in het JBZ
J de Witte en MJ Jager, kinderartsen JBZ


Inleiding


In de ontwikkeling van vaardigheden op het gebied van spraak en taal hoort op de kinderleeftijd een aantal belangrijke stap­pen te worden gezet tussen de leeftijd van 6 maanden en 4 jaar. Als bij jonge kinderen een stoornis in de ontwikkeling van spraak en taal ontstaat of wordt vermoed kunnen er veel verschillende hulpverleners betrok­ken zijn, zowel intra- als extramuraal. Dit betekende tot voor kort dat kinderen met spraak- en/of taal-problemen die in het JBZ bekend waren op zeer diverse manieren werden onderzocht, behandeld of begeleid. Inmiddels zijn multidisciplinaire Spraak-Taal-Teams in het leven geroepen, op locatie Carolus-Lidwina Ziekenhuis (CLZ) sinds 1999 en op locaties Groot Ziekengasthuis/Willem Alexander Zieken­huis (GZG/WAZ) sinds 2002. In dit artikel zullen enkele aspecten van de normale ontwikkeling van spraak en taal kort worden besproken, alsmede een korte beschouwing van stoornissen die hierin kunnen optreden. Tot slot zal wor­den gerapporteerd over de ervaringen met een intramuraal opererend Spraak-Taal-Team (STT).

HOEZO EEN TAALACHTERSTAND


Jonge kinderen hebben hun eigen tempo.

Prof.dr Sieneke Goorhuis-Brouwer Studium Generale Hanze Hogeschool, 26 maart 2008.

INLEIDING.


Zowel binnen het onderwijs als binnen de gezondheidszorg zijn taalproblemen en taalachterstanden onderwerp van discussie. In gezamenlijke activiteit krijgen, in overleg met gemeenten, voor-en vroegschoolse educatie (VVE) gestalte. Het gaat hierbij om de vroegsignalering ( van 0 tot 4 jaar) door consultatiebureaus, de voorschoolse voorzieningen (van 2 tot 4 jaar) en het vroegschoolse deel (van 4 tot 6 jaar) op de basisscholen. Zo wordt, volgens een persbericht van het ministerie van OCW (nr. 46) een doorlopende lijn van signaleren naar vroegtijdig aanpakken gerealiseerd voor de bestrijding van onderwijsachterstanden. Met name taalachterstanden worden daarbij gezien als de veroorzakers van de onderwijsachterstanden. De Voor-en Vroegschoolse educatie (VVE) wordt vanuit de overheid grootscheeps aangepakt. De staatssecretaris van OCW streeft ernaar in 2011 een dekkend aanbod van VVE te hebben, waardoor de taalachterstand van achterstandsleerlingen aan het einde van de basisschool met 40% is gereduceerd ten opzichte van het meetjaar 2002 (Scholen voor morgen, 2007). Er is een optimistisch vooruitgangsdenken in de politiek, mede ingegeven door Lissabon­doelstellingen (maart 2000), waarin o.a. is geformuleerd dat de Europese Unie vóór 2010 “de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld (dient) te worden die in staat is tot duurzame economische groei met meer betere banen en een hechtere sociale samenhang”. Binnen de aanpak van de VVE-activisten staan peuters en kleuters aan de top van de leerfabriek. Zij moeten goed maken wat verder op in het leerproces fout gaat. Omdat kinderen met onvoldoende taalkennis, schrijfvaardigheid en rekenvaardigheid de basisschool verlaten, wordt de druk op peuters en kleuters opgevoerd. Het gaat niet meer om scholing van kinderen die zich naar eigen mogelijkheden kunnen ontplooien en kennis kunnen verwerven.

Taalstoornissen en autisme.

Njiokiktjien C.

Samenvatting

Dit artikel beschouwt de relatie tussen autisme en taalontwikkelingsstoornissen, klinisch en vanuit ontwikkelingsneurologisch standpunt. Auteur dezes is van mening dat men formele gesproken taalstoornissen gescheiden moet zien van de stoornissen die het wezenskenmerk van autisme uitmaken. Het belangrijkste argument hiervoor is dat er zeer veel kinderen zijn met gesproken taalstoornissen zonder enig autistisch kenmerk. Taalstoornissen zonder autisme hebben vaak negatieve gevolgen voor het gedrag (Njiokiktjien, 2005). Alle kinderen met autisme hebben een vorm van taalstoornissen. Deze versterken het autistische gedrag, en omgekeerd, autisme remt de gesproken taalontwikkeling. Het feit dat bij autisme altijd taalstoornissen in variërende mate voorkomen heeft gevolgen voor de prognose, de diagnostiek en de behandeling.

Artikel uit FOSS-TAAL 2007/4 (http://www.foss-info.nl/)

"Zorg aan kinderen met een taalstoornis”

Mildred Gielen en Romain Buekers

Een werkbezoek van de FOSS in Hoensbroek aan de Unit Taal van het Audiologisch Centrum én de Mgr. Hanssenschool is de aanleiding geweest voor de FOSS om ons te vragen een workshop te houden over de zorg aan kinderen met een taalstoornis. Op de FOSS-informatiedag van vorig jaar hebben wij hierover een presentatie verzorgd. Dit artikel is een bewerking en samenvatting van deze presentatie, waarin we de aanpak op het centrum en de school beschrijven. Belangrijke elementen hierin zijn de contacten met andere instanties in de regio en de gesprekken met ouders. De geboden zorg aan een kind komt nu eenmaal het beste tot zijn recht als de ouders doordrongen zijn van het nut en de noodzaak.

Logopedie en Foniatrie (2006)

De relatie tussen taalstoornissen en gedragsstoornissen: psychologische en neuro-psychiatrische inzichten

Ch. Njiokiktjien

Het verband tussen taalstoornissen en gedragsstoornissen wordt in dit artikel gepresenteerd in een neuropsychiatrisch denkraam. Het weerspiegelt de opvatting dat taalontwikkelingsstoornissen, verder taalstoornissen genoemd, gebaseerd zijn op afwijkend ontwikkelende neurale netwerken. Met gedragsstoornissen die zich vaak hierbij voordoen is dat niet altijd in directe zin het geval. Veelal zijn deze een reactie op de taalstoornis. Aangezien gedrag vanaf het eerste jaar gestuurd wordt door de taal van de moeder en later door de innerlijke taal van het kind, en de losmaking van de moeder deels via de taal totstandkomt, liggen gedragsstoornissen bij taalstoornissen voor de hand. Meestal wordt beschreven wat men waarneemt, soms waagt men zich aan verklaringen en in een enkel geval wordt zoals hier het hersenfunctioneren daarbij betrokken.

Taal- en spraakstoornissen bekeken vanuit de neuropsychologie

Taal heeft niet alleen een sociale en intellectuele functie, maar is ook een communicatiemiddel daarmee emoties worden uitgedrukt

dr. Ben Maassen

door Arga Paternotte

Dr. Ben Maassen is kinder-neuropsycholoog. Hij houdt zich bezig met taal in relatie tot informatieverwerkingsprocessen in de hersenen. Hij werkt op de afdeling kinderneurologie van het Universitair Medisch Centrum (UMC) St. Radboud te Nijmegen. Daar onderzoekt hij kinderen met taal-/spraakproblemen en doet ook wetenschappelijk onderzoek naar de achtergronden van deze stoornissen. De redactie van Balans Belang vroeg hem, vooruitlopend op zijn lezing op het symposium van Balans op 2 oktober, om nadere uitleg: wanneer en waarom komt een kind met taalproblemen op de afdeling kinderneurologie terecht en wat is dan de taak van een neuropsycholoog?

Dysfatische ontwikkeling

Ter inleiding

De diagnose ‘dysfatische ontwikkeling’ wordt met enige regelmaat uitgesproken als het gaat om kinderen met een taalstoornis. In dit artikel wordt de vraag gesteld of zo’n label wel een andere lading dekt dan meer gangbare termen voor kindertaalstoornissen.Dat is zowel een theoretische als een praktische kwestie. De term suggereert dat een kind iets meer of iets anders mankeert dan een taalontwikkelingsstoornis. Bovendien appelleert de benaming aan een onderliggende hersenpathologie. Tenslotte is het ‘syndroom’ dysfatische ontwikkeling geassocieerd met niet-talige symptomen die vragen om multidisciplinaire begeleiding. Ik zal de kwestie hier vanuit drie thema’s bespreken: de definitie en de ernstgraad, de oorzaak en de symptomen buiten de taal.
Ik duid dysfatische ontwikkeling hieronder gemakshalve aan als DO.

Pedagogische implicaties van spraak- en taalontwikkelingsstoornissen

Inleiding

Het onderwerp pedagogische implicaties van spraak- en taalontwikkelingsstoornissen kan van verschillende kanten worden belicht. We hebben een kind met een probleem, ouders die dat onderkennen, zich er zorgen over maken en vooral: er iets aan willen doen!
Al vanaf het moment dat er een probleem verondersteld wordt, verandert de vanzelfsprekende pedagogische omgang. Het gaat niet meer allemaal vanzelf. Er wordt nagedacht over huidige situatie en toekomst en dit levert emoties op.
Vanuit die emoties willen ouders aan het werk. De vragen die meestal gesteld worden zijn:

_ Wat hebben wij fout gedaan
_ Hoe kunnen we ondersteunend en stimulerend met ons niet goed sprekende kind omgaan, zodat de taal zich in een positieve richting kan ontwikkelen.
_ Wat zijn de consequenties voor de toekomst

Op deze drie vragen wil ik nu nader ingaan.